Sociaal ondernemen.

Sociaal ondernemen krijgt de laatste tijd veel aandacht. Van TNO, Vilans, Sociaal Ondernemen. Nu!, PSO, het al weer ter ziele gegane eerste glossy QPQ, bij coaching vanuit VU Connected, in YOU Tube filmpjes, nieuwsbrieven en handboeken. Hier en daar is het gedachtegoed opgepakt door een hotshot en adviesbureaus zien er nu ook brood in.

In Nederland zijn enkele, nog steeds actuele basisdocumenten 12 jaar geleden verschenen. De niet meer bestaande Stichting CEFEC Nederland liet door derden onderzoek doen naar de opmars van sociale firma’s binnen de zorg (1999) ([1]) en de levensvatbaarheid van sociale firma’s (2001). CEFEC Nederland afficheerde zich als de promotor van sociale firma’s, was verbonden met de Europese beweging CEFEC ([2]) en bracht tussen 1999 en 2001 vier nieuwsbrieven uit. In 2003 bracht Aukje Smit in de publicatie ‘Bedrijvigheid met een dubbel doel’ de stand van zaken terzake sociale firma’s nog eens in beeld.

Uit de twee voornoemde onderzoeken kwam naar voren dat het niet eenvoudig is om vanuit zorg-/ welzijnsinstellingen een bedrijfje op te zetten waar mensen met een beperking betaald werk doen. Van 73 onderzochte (van de toentertijd naar schatting 250) werkprojecten in de VG, LG en GGZ bleek slechts één onderneming loon aan mensen met een beperking te betalen. Alle andere initiatieven werden geëtiketteerd als ‘sociale firma’s in wording’, oftewel arbeidsmatige dagbesteding. Onder de vlag van een zorginstelling zijn anno 2012 slechts enkele uitzonderingen tot volle financieel-economische wasdom gekomen. Verhinderingen liggen vooral in de factoren ‘een ondernemer als regievoerder’, ‘ondernemen als leidraad voor de bedrijfsactiviteiten’, ‘snelle besluitvormingsprocessen’, ‘de onmogelijkheid om een balanspositie op te bouwen’ en ‘een adequaat MIS’. Voordeel is met name de financiering.

Sociale bedrijven in de markt die door een ondernemer met verstand van de sector waarin dat bedrijf opereert, zijn gestart en in operationele zin (goeddeels) onafhankelijk van de zorg- en welzijnssector functioneren, hebben de meeste kans om na verloop van tijd nog steeds te floreren. Als kritische succesfactoren zijn toentertijd geïdentificeerd: sterke verankering in de omgeving + een planmatige, zakelijke aanpak + een goede begeleiding + ondernemerschap en daarbij behorend leiderschap.                                                                Zie ook Nieuwsbrief Attent: http://www.izare.nl/uploads/Attent%20nr.%207.pdf.

De sociale werkvoorziening is na de 2e WO met verve opgebouwd.                                         De droom van een keten van sociale bedrijven die de eigen continuïteit in de markt weten te organiseren, onder meer met mensen met een beperking, stamt uit de jaren 70 & 80. De wieg van sociale bedrijven ligt bij de sociale werkvoorziening en CEFEC Nederland. De ideeën en plannen komen veelal van sociaal bewogen ondernemers in het MKB. Grote bedrijven richten hun productieproces hier en daar in de periferie van het bedrijf in projectvorm zo in dat er iets in het werkvat zit voor de beperkte medemens.

Een Wwnv en andere transities mogen de verworvenheden voor de mensen met een achterstand tot de arbeidsmarkt niet teniet doen. Sociale ondernemers verdienen veel ruimte om hun belangrijke maatschappelijke rol te spelen. Zeker anno 2012/13.

Gert Rebergen (deeltijdactivist)


[2] Confederation of European social Firms, Employment initiatives and Cooperatives).

Advertenties

Over Grassroots Inclusion

In Grassroots Inclusion werken Geertien Pols en Gert Rebergen samen aan onderwerpen die te maken hebben met zeggenschap en handelingsruimte voor mensen die niet of onvoldoende in staat zijn een en ander zelf te organiseren.
Dit bericht werd geplaatst in AWBZ, Begeleiding - dagbesteding, Empowerment, WSW en getagged met , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.